Zijn sluike blonde haren vallen telkens voor zijn ogen wanneer hij een turfstreepje zet. Het grote ongelinieerde notitieboek, zwarte kaft, balanceert op zijn schoot. Hij zit op een bankje, knieën tegen elkaar, voeten een beetje naar binnen gedraaid. De zon schijnt, het is een drukke dag in het centrum van Utrecht. Het zijn nog niet ontzettend veel turfjes. Hij zit hier dan ook niet om de fietsers die voorbij sjezen te tellen, of de bussen die stoppen bij halte Janskerkhof. Het gaat om hoeveel mensen naar binnen gaan bij de boekwinkel aan de overkant. En hoeveel er weer naar buiten komen met een boek.
Tim, dit gaat natuurlijk over jou. En ik zeg je, dit zou het begin van een zwijmelig feel good-boek kunnen zijn, een grappig en soms verdrietig drama met wat struggles en uiteindelijk een prachtige eindscene waar het suikerglazuur vanaf druipt: een jongen die met een grote glimlach achter de balie in zijn eigen boekhandel staat. Rechts van hem de gereserveerde boeken in een kast, op een hoge tafel een kassa, daarnaast een muur vol posters en kaarten; links van hem een sjieke koffiemachine; achter hem een koelkastje vol hipsterdrankjes, aan de wand een bekrijt menubord (Nieuw! Tosti’s!). Mensen zouden glimlachend de boekwinkel in en uit lopen, een praatje maken, koffie met elkaar drinken, een stuk door Rosan gebakken taart eten, er zou ergens een kleuter over de grond rollen met een kinderboek in de hand. Het zou verfilmd kunnen worden en dan zou een of andere ruwe bolster van een lieve Nederlandse acteur jou spelen. Het zou een winterhit worden, zo’n film die elk jaar opnieuw uitgezonden wordt tijdens de feestdagen.
Ik ken je natuurlijk niet super goed, maar ik denk dat dit soort zwijmeligheid (in ieder geval in boeken, laat ik het bij boeken houden) je niet helemaal aanstaat – misschien schrijf ik dit ook om je een beetje te fokken. Toen je me een tijd terug vertelde over dat posten bij die boekhandel aan Janskerkhof, jaren geleden, zag ik je wel meteen zitten. Ik probeerde me een jongere versie van jou voor te stellen: gympies, beetje hippe outfit, je schouders wat kromgebogen. Je zou zitten op een van die bankjes naast dat kioskje met Italiaanse broodjes. Soms zou er een kunstacademiestudent naast je zitten, die zou dan bellen met haar moeder om te vertellen dat ze helemaal mentaal wordt afgebroken in dat kleine stinkende theaterlokaal. Ze zou er een beetje bij zitten huilen, zachtjes. Jij zou wat opzijschuiven, niet in de spreekballonnen van het telefoongesprek gezogen willen worden (moeder: ‘maar lieverd, jij wilde naar die academie hè, je had met dat profiel van de middelbare ook gewoon dokter kunnen worden, of psycholoog.’) Soms zou je opeens tussen twee jongens in zitten. Die kwamen net van de Drift, waar ze in de bieb aan het studeren waren. Gladgekamde haren, een beetje naar achteren, in lichtblauw gestreept overhemd. Ze zouden hun benen net iets te ver spreiden, jouw ruimte op dat bankje klein en benauwd maken, tegen elkaar zuchten: ‘dat fucking SPSS, wat een bullshit, daar heb je in de toekomst toch andere mensen voor?’
Het zou je ergeren (ik zit hier fictie van je te maken, sorry hè), die mensen. Je zou je hand over de turfstrepen leggen, als een geheim. Niemand hoeft te weten dat jij wil weten hoeveel mensen er de boekhandel aan de overkant binnengaan en, vooral, hoeveel van die mensen weer naar buiten lopen met een nieuw boek in de hand.
Tim, een boek is een deur waar je door naar binnen gaat. Je stapt naar binnen met jezelf: je eigen wereld, je eigen emoties, je eigen verhalen en herinneringen, alle boeken die je al eerder las, alle steden, huizen en landen die je al zag en bezocht, alle mensen die in je leven voorbij zijn gekomen en verhalen over jou vertellen, over wie jij verhalen vertelt, door wie jij het verhaal over jezelf hebt aangepast. Een boek is een wereld waar je binnen stapt, met een deur die je sluit als je de verteller vertrouwt, als je je op je gemak voelt, als je wil vallen. En dan, als je de laatste zin op de laatste pagina hebt gelezen, doe je even je ogen dicht, haal je diep adem en kom je weer naar buiten. Tevreden, kwaad, teleurgesteld, verdrietig, opgewekt – of allemaal tegelijk.
Tim, dat boek over jou, met die zoetsappige eindscene die ik net optekende, klopt niet. Nou ja, kijk, het beeld klopt wel: over die winkel van jou, die toko met al die leuke medewerkers (die ik van jou denk ik ook moet noemen, je wil niet in het centrum van dit verhaal staan, niet in het centrum van de belangstelling, zij zijn ook waardevolle personages: Tom, Siem, Pim en Daan). Maar het is geen eindscene, het boek is nog lang niet uit of af. Je bent net het motorisch moment ingestapt. De exposé is net geweest: wij, de lezers, de bezoekers van De Utrechtse Boekenbar weten nu een beetje wie jij bent, we weten met wie je werkt, we weten dat er buiten boeken ook kunst te vinden is in jouw winkel, dat er in de kelder soms muziek te horen is, of een expo te zien, we kennen je vader, Bert, die in de lockdown met een grote glimlach al die bestelde boeken rondfietste, wiens boek een bescheiden bestseller werd in jouw zaak, we kennen je moeder, Angeliek die de foto’s voor De Boekenbar maakt (en hoe!) en we kennen Rosan, die jou hielp (weet ik nu, want ik heb dat belachelijke grote notitieboek met zwarte kaft momenteel in mijn huis liggen en blader er soms een beetje in) met het ontwerpen van het interieur van je winkel en het inkopen van de juiste spullen (haar handschrift is netter dan dat van jou, strak, geordend, wat ik mooi vind om te zien, jullie bestaan echt samen in dat boek, naast elkaar, als twee verschillende mensen en dus ook twee verschillende handschriften), we zagen je in boekenpanels bij talkshows, we lazen je in het Algemeen Dagblad, Boekblad en de Utrechtse Uitagenda. We weten net een beetje wie je bent, en waar je van houdt. We begrijpen nu: De Utrechtse Boekenbar, dat is de plek waar een fling met boeken uitgroeit tot een grote, meeslepende, allesverzengende liefde. Kijk, ik probeer te zeggen: kijk; als ik bij jou een boek afreken is het niet simpelweg afrekenen. Nee, het gaat zo; je pakt het boek uit mijn handen, draait het rond, leest de achterflaptekst, slaat het boek open en zegt: ‘kijk nou. Kijk nou gewoon even naar de kleur van dat binnenwerk, dat is toch mooi? Daar is toch goed over nagedacht?’ (Nonfiction - a novel, Julie Meyers, ik raad het iedereen aan). We zijn er net. Er is nog zoveel te doen, zien en lezen. En nog zoveel koffie te drinken en taart te eten en er zijn nog zoveel events om te organiseren.
Tim, dit verhaal van jou, dit metaforische, fictieve boek over deze zaak, van de Utrechtse Boekenbar, wordt een belachelijk dikke pil, formaat Max Mischa en het TET offensief, formaat Nino Haratischwili. Ik kijk uit naar meer hoofdstukken, naar wat er nog volgt, ik ben hooked, ik wil dit verhaal bingen – en met mij veel mensen, denk ik.
En ja, soms, als ik langs Janskerkhof fiets, zie ik je daar zitten posten en turven, zie ik je denken, uitrekenen, fantaseren. Daar zit een jongen met sluik blond haar op een bankje, in zijn eentje, te bedenken of het kan, of het echt zal lukken, zijn eigen boekhandel.